DT

Het is in de politiek makkelijker om te zwaaien met leuke toekomstplannen voor onze mobiliteit dan om nu door de zure appel te bijten. Dat zou nochtans meteen en meer resultaat opleveren.

Door Bjorn De Vriese, mobiliteitsambtenaar en verkeerskundige

Met het voorstel van N-VA Antwerpen om een eigen vervoerbedrijf op te richten, breekt een episode aan van ‘ambitieuze mobiliteitsvoorstellen’. Een vervoerbedrijf, een kabelbaan, meer gratis parkeren, rijbewijzen met of zonder punten, watertaxi’s, zelfrijdende wagens. De komende maanden zwelt het aanbod zaligmakende voorstellen alleen maar aan. Meestal komende van spelers die al jaren zelf de sleutel in handen hebben om onze lange lijst mobiliteitsproblemen aan te pakken, maar niet durven.

Met vijf minuten politieke moed geraken we er niet, maar met een volledige legislatuur komen we toch al een heel eind ver.

En die lijst problemen is in dit land zowat recht evenredig met het aantal personenwagens dat er in rond rijdt. Begrijp me niet verkeerd, de auto is een prachtige machine. Hoe kan het ook anders, als voortvloeisel van de beste uitvinding ooit – het wiel – en als perfecte facilitator voor onze menselijke luiheid. Bovendien zorgen opties van velgen tot klimaatcontrole, kleur, stoffering en technische snufjes tot een ongeziene mate van comfort en personaliseerbaarheid.

Maar zoals het ook andere ‘genots’middelen vergaat, schaadt overdaad. Meer fossiel aangedreven staal vreet ruimte, vergast onze kinderen en zorgt contradictorisch genoeg net voor minder mobiliteit. Wanneer onze bakker verder dan 600 meter ver is, nemen we de auto. Hoeft het te verwonderen dat het aandeel van het fietsgebruik, in tegenstelling tot alle hoeraberichten, lager ligt dan in het jaar 2000?

Tijd dus om daar iets aan te doen, denken vele gelijkgezinden met mij. De afgelopen jaren is er onmiskenbaar een keerpunt ingezet in technologische evoluties, maar nog belangrijker, in bewustwording. Nooit ging er meer aandacht naar de duurzame alternatieven voor de auto. Kroonprins fiets staat te trappelen om de troon te bestijgen en daar waar hij nog geen geschikte troonopvolger is, schakelen we over naar elektrische en gedeelde varianten van onze stalen koets.

Geest en hart

Jammer genoeg volgt hier de fameuze ‘maar’ in het verhaal. Zodra je de voordeur buitenkomt is nog maar bitter weinig te merken van die mindshift. De oorlog om de geesten is gestreden, die van de harten nog lang niet. Toeval of niet, het komende anderhalf jaar dient zich een uitstekende ‘window of opportunity’ aan, in de vorm van gekleurde bolletjes. De volgende generatie politici die we vanaf oktober op lokaal, provinciaal, regionaal en Europees niveau in het fluweel zullen stemmen, worden geconfronteerd met de belangrijkste uitdagingen in onze mobiliteitsgeschiedenis. De verstedelijking zal alleen maar toenemen en valt niet te rijmen met ruimteverspillende en inefficiënte vervoersvormen.

Dat busbouwer VDL uit Roeselare honderd elektrische bussen levert voor de regio Amsterdam maar in eigen land geen gehoor vindt is tekenend en tragisch tegelijk.

Aan ons de keuze. Kiezen we massaal voor vertegenwoordigers die deze uitdagingen als kansen zien en durven inzetten op meer leefkwaliteit, gezondheid en geluk voor de burgers? Of laten we ons nog enkele jaren verder regeren door politici die halsstarrig blijven vasthouden aan de laatste strohalmen van het individuele fossiele autogebruik? Vormen we ons de komende jaren om tot koploper, of kiezen we bij voorbaat al om het peloton te laten rijden?

Ik moet mijn woorden nuanceren, want een echte uitdaging is het natuurlijk niet. In het buitenland doet men het ons al jaren voor en de voorbeelden liggen voor het grijpen. Spijtig genoeg kan ik onze toekomstige beleidsmakers niet verleiden met een retourtje naar een of ander exotisch land om bij te leren. Zelf deed ik het twee weken geleden, met een aantal gelijkgestemden, met een weekje Nederland. De ingrepen zijn niet schokkend, hun resultaten des te meer.

Grens

Het fietsbeleid van onze noorderburen is alom gekend, helaas wordt het bij ons nog te zelden toegepast. Idem voor de duidelijke beleidskeuzes en investeringen in kwalitatief en performant openbaar vervoer. Dat busbouwer VDL uit Roeselare honderd elektrische bussen levert voor de regio Amsterdam maar in eigen land geen gehoor vindt is tekenend en tragisch tegelijk. Maar ook (onnodig) autogebruik ontmoedigen heeft een plek in het verhaal. Autoluwe centra, circulatieplannen, betalend straatparkeren zelfs voor bewoners. Hallo Vlaanderen, wie neemt de handschoen op?

Vormen we ons de komende jaren om tot koploper, of kiezen we bij voorbaat al om het peloton te laten rijden?

Met vijf minuten politieke moed geraken we er niet, maar met een volledige legislatuur komen we toch al een heel eind ver. Of zoals Nijmegen, Europese Green Capital 2018, het verwoordt: ‘met een duidelijke visie en volgehouden beleid zet je binnen de vijf jaar zo je voet naast de Nederlandse steden.’

Laten we de problemen van vandaag aanpakken met de instrumenten die we nu hebben. Met leuke toekomstoplossingen zwaaien is natuurlijk gemakkelijker dan nu door de zure appel te bijten, ook al heeft dat meteen, en meer, resultaat. Het uitgangspunt moet zijn: iedere verplaatsing op het juiste tijdstip met het juiste vervoermiddel. En ook daarin heeft de auto zijn plaats, dus wuif mijn betoog niet weg met ‘dit is een rondje autopesten’. We moeten in eigen boezem durven kijken en toegeven dat onze autoverslaving uit de hand gelopen is. De wereld vergaat heus niet met minder auto’s. Het is eerder omgekeerd.

Bron:

link naar artikel